23. Van Peter I naar België in 9 dagen

Vanaf nu hebben we maar één doel voor ogen: zo vlug mogelijk naar huis. Er zijn twee opties: ofwel blijven we op de Fedorov tot in Zuid-Afrika, een rit van drie weken. Ofwel stappen we af in King George, in de South Shetlands, de noordtip van Antarctica. Via een radioamateur (natuurlijk!) in Punta Arenas, in het zuiden van Chili, kunnen we een Hercules vrachtvliegtuig van het Uruguayaans leger charteren. Onze cargo moet dan op de Fedorov blijven, tot die in mei in Europa aankomt. Alhoewel we niet genoeg geld in kas hebben om de Hercules te betalen, en we onze tickets van Chili naar huis zelf moeten financieren, nemen we deze oplossing. Iedereen ziet er tegen op om nog een tweetal weken doelloos op de Fedorov te blijven rondhangen.
De rit naar King George duurt drie dagen. Het geeft ons de kans om wat op krachten te komen. Ik doe niks anders als eten, slapen en op het schip rondslenteren.
De R/V Akademik Fedorov, zoals zijn officiële naam luidt, is met zijn 141 bij 24 meter het grootste Antarctisch onderzoeksschip. Het is geen echte ijsbreker, zoals de Khlebnikov, maar kan met zijn 13.000 ton, 19.000 pk en verstevigde boeg toch door ijs met een dikte van een anderhalve meter breken. De Fedorov is heel stabiel, we voelen de grond nauwelijks bewegen. De accommodatie is sober, maar netjes. We zitten per twee in een kajuit, bestaande uit twee stapelbedden, een paar kasten, een sofa en een klein badkamertje met lavabo, douche en toilet.
We zijn de enige buitenlanders aan boord. De rest van de kajuiten wordt ‘bewoond’ door de bemanning en wetenschappelijk personeel die van of naar één of andere Russische Zuidpoolbasis vaart. De Russen hebben niet genoeg geld om hun personeel naar huis te laten vliegen, dus blijven alle wetenschappers maanden aan boord, tot het schip eind mei in Sint Petersburg aanlegt. Intussen werken ze als bemanningslid. We trekken dan ook grote ogen als Anatol, de man die in de grote refter onze tafel afruimt, een astrofysicus blijkt te zijn. Yuri, die in de keuken helpt, is een microbioloog en Wasili die de gang kuist is een biochemicus... Ze vinden het niet erg om als bemanningslid te werken. Ze worden er extra voor betaald: één dollar per dag, vijfendertig frank. Een gans kapitaal voor hen, want hun normale jaarwedde bedraagt ongeveer US$240 (8400 frank). Sommige wetenschappers zijn in oktober al van hun basis gehaald, en blijven op de boot tot eind mei, en halen zo een 200 dollar extra binnen. Die gebruiken ze om in de Westerse havens die ze aandoen, wat 'luxegoederen' aan te kopen. Wat zij dan ook 'luxegoederen' noemen: exotische fruitsappen, batterijen, videocassettes, films, sigaretten, drank. We voelen mee met die mensen, die tenslotte wetenschappers zijn: hun onderzoek moeten ze meer als een half jaar stoppen, om als meid voor alle werk gebruikt te worden. Geen wonder dat zoveel Russische wetenschappers emigreren...
Maar ze zijn allemaal even vriendelijk. Alhoewel de meesten slechts gebroken Engels spreken, vinden we ons telkens weer in conversatie met de één of de ander, die trots zijn foto's van het thuisfront, en van hun basis toont.

Tot onze verbazing blijkt de brug van de Fedorov nog groter te zijn als die op de Khlebnikov. Er staat nog meer geavanceerde apparatuur: verschillende satellietnavigatietoestellen, zware radars, gecomputeriseerde landkaarten... Het verbaast ons. Enkel de radiokamer doet wat verouderd aan. Een Inmarsat satelliettelefoon is zowat het enige wat jonger is als vijftien jaar, volgens onze normen althans. Die telefoon wordt door ons volop gebruikt. Iedereen belt zijn familie op, vliegtuigticketten worden gereserveerd, en de faxen vliegen de deur uit. Allemaal aan 700 fr. per minuut. Communicatie is duur. Tenminste voor niet-radioamateurs... Toch stelt niemand voor om één van onze zenders op te stellen. De moed ontbreekt ons.
We eten vier maal per dag en tussendoor liggen we ofwel te slapen of slenteren wat rond. Veel valt er niet te beleven op het schip. Een bar is er niet. Het enige verzet is wat tafeltennissen of tweemaal per dag naar de video kijken. 'Pretty Woman' met Russische overspraak. Er is één vlakke stem die zowel de stem van de mannen als die van de vrouwen dubt. Het is bijna komisch om dit aan te horen, toch bij een romantische film als 'Pretty Woman'. De stem leest zelfs de begin- en eindgenerieken voor...

Woensdag 23 februari
Vroeg in de morgen geef ik het laatste interview voor 'Reporter zonder Grenzen'. Wilfried, de reporter, geeft het weerbericht van België door: -7°C, de ring rond Brussel zit vast. Bij ons is het -5°C, de zee is kalm en de sneeuw valt uit de grauwe lucht. De reporter vraagt wat hij me nu het meeste plezier van de wereld mee zou kunnen doen, als hij me binnen een paar dagen op Zaventem komt opwachten. Zonder nadenken, zeg ik: "Een colaatje".
Een paar uur later komen we aan bij King George. Dit eiland bevat de grootste concentratie Zuidpoolbasissen. Vanop het schip zien we de felbeschilderde gebouwtjes van de basissen van Uruguay, Chili en China, en de vaal groene barakken van de Russen. Aan de andere kant liggen de basissen van Polen, Zuid-Korea, Argentinië en Brazilië. King George ziet er wat troosteloos uit. De heuvels zijn donkerbruin, hier en daar ligt een plakje vuile sneeuw. De oevers liggen bezaait met oude roestende 'dingen', wrakken van schepen, of containers. De lucht is grijs en natte sneeuw valt naar beneden.
De Fedorov laat het anker zakken, en wij kruipen de cargoruimte in. Daar ligt ons expeditiemateriaal netjes gestapeld. We halen er ons persoonlijk materiaal, en de tenten van tussen. De tenten moeten we verkopen aan de man die onze Hercules chartert. Voor de helft van de prijs, toch nog een respectabele bedrag van 315.000 Bef... De rest van de cargo blijft aan boord tot in Europa.
De helikopter vliegt heen en weer tussen de Russische 'Von Bellingshausen' basis en de Fedorov. Ze brengt nieuw proviand aan land. Ganse ladingen ingevroren kippen, zakken bloem, tonnen met boter, kisten met drank en sigaretten, en, tot ons groot jolijt, ook in het midden gezaagde, ingevroren koeien. De nieuwe mop doet de ronde:
"Hoe breng je een kudde koeien aan land op Antarctica?"
"In een cargo-net."

In de late namiddag neemt de helikopter de eerste lading expeditieleden naar de basis. Ralph, Wilber en Willy blijven achter, ze komen met de volgende lading. De helikopter landt zachtjes voor de Russische barakken. Als we door de deur springen, zakken we tot over onze enkels in het slijk. Er is niks romantisch aan 'een zomer op King George'. Zeker niet de mensen... Stuurse mannen in oude vuile kleren baggeren door het slijk naar ons toe. Ze kijken ons wat verbaasd aan. Maar zeker niet zo verbaasd als wij naar hen. Ze snauwen elkaar wat toe, en halen hun schouders op. "Geen eten op deze lading."

Vladimir, de commandant van de basis komt ons welkom heten. Hij meldt dat de Hercules, ons vliegtuig naar Chili, vandaag niet meer af komt. Het weer is te slecht. Zucht. Ook de helikopterpiloot denkt er zo over. De schroeven worden aan de grond vast gemaakt, en de wielen geblokkeerd. Willy, Ralph en Wilber zullen het op de Fedorov een nachtje zonder bagage moeten stellen. Morgen misschien meer geluk.
Een jongeman in een lange groene jas, hij gelijkt wel op een veedrijver uit een cowboyfilm, komt met uitgestoken handen naar ons toe.
"Peter I?", vraagt hij ons
We knikken in koor.
"Four Kilowatt One Foxtrot, 4K1F", stelt hij zich voor.
Martin slaat zich voor het hoofd: "'t Is niet mogelijk, weer een radioamateur!"
Yuri is inderdaad een gekende radioamateur die hier als wetenschapper werkt. Yuri spreekt vlot Engels en wordt meteen onze beste vriend.

Vladimir wijst ons onze 'kamers'. Martin krijgt een soort voorhistorisch hemelbed naast de keuken, Luis zal op de sofa in de bibliotheek slapen. Tony krijgt een kamer in de radio-barak, en Terry, Bob en ik mogen in het hospitaal slapen.
"Hopelijk liggen er geen lijken", grapt Bob.
Humor en geduld blijken twee kwaliteiten te zijn, die we op onze trip blijkbaar vaak hebben kunnen gebruiken. Eens het eerste ijs wat is gedooid, valt de bemanning van de basis best mee, alhoewel de taal wel een handicap is. Toch spreken de meeste een mondjevol Spaans - de Chileense basis ligt een paar honderd meter verder -. En na een uitvoerig avondmaal, blijkt onze aanwezigheid aanleiding tot een party. Russische wodka, Zuid-Afrikaans en Chileens bier, en pakjes Amerikaanse sigaretten gaan van hand tot hand. Plotseling hebben we blijkbaar weinig moeite om met de Russen te communiceren.
De volgende dag is het weer net goed genoeg om een paar helikoptervluchten te maken. Ik sla bijna door mijn benen van het lachen als ik Ralphs gezicht zie, terwijl hij uit de helikopter stapt. Zo'n gezicht moet ik gisteren waarschijnlijk ook getrokken hebben, het heeft iets van 'Oei, waar ben ik nu weer beland'. Wilber heeft zijn witte sportschoentjes aangedaan. We gieren van het lachen terwijl hij met een vies gezicht en modder tot aan de enkels zich een weg baant naar de barakken. Wilber heeft nog weinig gevoel voor humor, hij wil gewoon naar huis, zo vlug mogelijk. En dat doet ons nog meer lachen: "Geen Hercules vandaag" heeft commandant Vladimir gezegd. "Schliechte ziegtbaarhojt", slechte zichtbaarheid. Was dat ook niet het dooddoenertje dat Sergej, de radio-officier van de Fedorov altijd maar herhaalde, toen we op Peter I geblokkeerd zaten? "Schliechte ziegtbaarhojt"...
We installeren ons allemaal zo goed en zo kwaad het kan, in het kamp. Het kan blijkbaar nog een paar dagen duren vooraleer de Hercules 'langs komt'.
Gelukkig zijn de barakken goed geïsoleerd, en comfortabel verwarmd. De bedden zijn netjes en ruiken fris. Het toilet, een toiletpot, met een gat in de grond ruikt kwaadaardig.

Victor, de kampdokter/postbode/tandarts/shopkeeper, wordt onze vriend, en hij troont ons mee naar zijn souvenirwinkeltje. Hij verkoopt er allerlei spulletjes aan de toeristen die soms met cruiseschepen komen aanleggen. Maar de prijzen zijn te hoog. Een Baboesjka, geschilderde poppetjes die netjes in mekaar passen, kost minstens twintig keer zo veel als in Rusland, en daarbij waren de Baboesjka’s die ik in Sint Petersburg heb gekocht, veel mooier beschilderd...

's Avonds is er een party bovenop de heuvel, in de barak van Yuri, onze radioamateurvriend. Hij toont ons trots zijn amateurzender: een oude Oost-Duitse zender uit de Tweede Wereldoorlog, een Russische ontvanger uit de jaren stilletjes en een zelfgemaakte versterker. Zijn antennes zijn allemaal zelfgemaakt. Gesterkt door de wodka en het bier, dat rijkelijk vloeit, wagen we ons aan de zender. We slagen er zelfs in om een aantal contacten te maken met de Verenigde Staten, en laten onze contactmensen weten, dat we nog voor onbepaalde tijd op King George geblokkeerd zitten. - hik -.
Het is vroeg in de morgen als we ons zingend in de sneeuw de heuvel laten afglijden, naar onze slaapkwartieren.

De volgende morgen, onze derde dag op King George. Het weer ziet er nog altijd miezerig uit. 's Voormiddags trekken we naar de Chileense basis. De netjes oranje en wit geschilderde barakken contrasteren fel met de vaal bruin en bleekgroene 'dingen' van de Russen. De Chilenen hebben zelfs een bank, een souvenirwinkel, een sportcentrum, een schooltje voor de kinderen van de bemanning, en een postkantoor in hun basis. Trots vertellen ze dat de luchthaven, met bijhorend hotel - 14.000 fr. per nacht, amaai - ook tot hun basis behoren.

's Namiddags vervoeren we onze tenten naar de luchthaven, bovenop een heuvel. De Russen rijden een luidbrullende en ratelende oude sneeuwkat voor. Het gelijkt op een tank. We laden het 'ding' vol en hotsebotsen de heuvel op. De chauffeur hangt uit het venster terwijl hij het beest schokkend stuurt. De voorruiten zijn zo vuil dat er geen kuisen meer aan is. In de luchthaven, een verwarmde hangar naast het hotel en een moderne verkeerstoren, laden we de tenten uit. We stapelen ons materiaal in de loods, naast een blinkende Twinhopper, een tweemotorig vliegtuig en een moderne Messerschmidt helikopter. Beide toestellen zien er prima onderhouden uit. Wij rijden terug naar onze basis. Luis en Terry zetten een paar antennes op, en, met toestemming van de commandant, en het hoofdschudden van Martin, beginnen we aan een lange nacht op de radio. Tegen het ochtendgloren hebben we er nog eens duizend radiocontacten opzitten...

Zaterdag 26 februari 1994, 10 u in de morgen
"Peter, wakker worden, de Hercules komt er aan", fluistert Terry in mijn oor. Ik heb er nog maar een paar uur slaap opzitten, en geraak moeilijk uit bed. Enfin, bed, zeg maar operatietafel met een matras erop. Ontbijt heb ik blijkbaar ook al gemist. Binnen een half uur staan we met pak en zak voor de hoofdingang. De 'tank' en een 4x4 vrachtwagen met een open laadbak komen voorgereden.
"Taxi!", grapt Willy.
We laden onze bagage in, en gaan er bovenop zitten. We zetten ons schrap terwijl het ding zich in beweging zet. Hoeveel soorten voertuigen gebruikten we nu al? Personenwagens, taxi’s, 4x4 jeeps, pilootboot, burgervliegtuig, Engels militair vliegtuig, ijsbreker, zodiac, twee types helikopters, tank, vrachtwagen.
"Wie weet wat er ons nu nog te wachten staat..", schreeuwt Wilber boven het motorlawaai uit.
Rond elf uur komen we bij de luchthaven aan. Wel, luchthaven. Niks meer als een barak en een landingsstrip van gehard donkerbruin grind. Er is meer activiteit als gisteren. Het goeie nieuws is dat de Hercules al onderweg is, het slechte nieuws is dat het vertrek een paar uur wordt vertraagd. Er zijn een paar VIPs aan boord, die de basis van Uruguay gaan bezoeken, en die VIPs moeten met hetzelfde vliegtuig terug naar Punta Arenas. Jeeps en vrachtwagens komen en gaan, helikopters komen cargo afzetten en de helft van de Russische basis komt ons vaarwel zeggen. Onze bagage wordt netjes gewogen en met een net vastgesjord. Het is koud, de wind waait venijnig en we krijgen honger. Gisteravond waren het 'aardappelen' bij de Russen. Aardappelen met twee stukjes ingelegde haring en wat gezuurde kool. En vanmorgen heb ik het ontbijt gemist...

Eindelijk komt de Hercules laag overgevlogen. Ik kan het bijna niet geloven. Dit is ons eigen vliegtuig. Alle andere mensen die mee zullen vliegen, betalen eigenlijk indirect mee voor onze vlucht. Ons eigen militair vliegtuig dat uit Montevideo, Uruguay, speciaal voor ons naar King George, Antarctica vliegt... Het lijkt eindeloos te duren voor we de Hercules opnieuw zien. Ze komt laag over de zee aangevlogen, met de landingslichten aan. De buffeljacht-muziek van 'Dances with Wolves' klinkt in mijn hoofd. Het is een glorieus gezicht om het vrachttoestel sierlijk te zien naderen, en zachtjes op de landingsbaan uit te zien rollen. Met luid zoem-ronkende motoren draait ze vlak voor onze neus.

Allerlei mannen en vrouwen stappen uit. Militairen, VIPs, wetenschappers en meisjes die lijken op ééndagjestoeristen. In een mum van tijd, zijn ze allemaal verdwenen, de ene in vrachtwagens, de andere in jeeps, en nog andere zijn in helikopters weggevlogen...

En wij, wij staan daar nog, rillend van de kou - ik heb intussen mijn poolvest bovenop mijn ski-anorak getrokken -, en rammelend van de honger. Het zal nog minstens vier uur duren vooraleer het vliegtuig vertrekt, en we nemen het aanbod van de Russen aan, om met de vrachtwagen tot aan de Uruguayaanse basis te rijden. Nou ja, rijden, hotsebotsen... Onze magen schokken tot in onze keel, maar we lachen ons een kriek.
Op de basis valt niet veel te beleven, er is een party aan de gang voor het VIP-bezoek, de Amerikaanse ambassadeur, naar het blijkt. Maar er is wel eten. We schrokken het binnen. Na een korte rondleiding, hotsebotsen we terug naar de luchthaven.
De commandant van de Chileense basis krijgt medelijden en biedt ons koffie en sandwichen aan, die we ook gretig verslinden.
"Het vliegtuig vertrekt binnen vijf minuten", wordt er geroepen. Met de laatste boterham nog in onze mond, lopen we naar de Hercules en springen aan boord. De zitplaatsen zijn nylon netten vooraan in de laadruimte. Onze bagage is achterin gestouwd, meters hoog.
Voor we het weten, zitten we al in de lucht, en krijgen nauwelijks een kans om de laatste glimp van King George, de laatste glimp van Antarctica te zien.

We nestelen ons in de netten en iedereen dommelt in een ondiepe slaap, telkens weer gestoord door iemand die zo nodig naar achteren of naar voren klautert. De cargobemanning van het vliegtuig zit ontspannen een sigaretje te roken, bovenop de cargo. Het toilet is een emmer in een hoekje, afgesloten met een gordijn. De stewardessen zijn twee blonde meisjes in een militaire overall.
In de cockpit, waar je zo maar binnen kunt wandelen - klimmen eigenlijk-, voert Wilber een levendig gesprek met de commandant. Wilber is een piloot die regelmatig met dit type vliegtuigen, een C130, vliegt. Zonder veel commentaar krijgt hij een plaats achter het stuur, en hij neemt de controle over.

De zon gaat langzaam onder, en werpt zijn laatste goudgelen stralen tussen de wolken door. Beneden zien we Tierra del Fuego, Vuurland, onder ons voorbij glijden. Het zuidelijke punt van Zuid-Amerika, het begin - of is het einde - van de bewoonde wereld. Een half uurtje later zien we de lichtjes van Punta Arenas al. Iedereen gaat zitten en Wilber zet het vliegtuig heel zachtjes aan de grond. Dit is zonder twijfel de zachtste landing die ik ook meegemaakt heb, en alle passagiers gaan spontaan applaudisseren.

Het is middernacht in Punta Arenas. De motoren brullen nog na, terwijl de passagier uitstappen. Onze groep moet wachten en een paar vrachtwagens komen aangereden. Een jongeman stapt naar ons toe:
"Peter I team?"
Martin slaakt een kreet:"Nee, niet opnieuw, alsjeblieft"
"Charly Echo Eight Charly Mike India, CE8CMI, Moncho", stelt hij zich voor met zijn radioamateur-roepnaam. Hij is onze contactman in Punta, die de Hercules voor ons regelde. We laden de tenten in de ene vrachtwagen, en al onze persoonlijke bagage in de andere. Alles wordt in een loods gestouwd, en een paar taxi's vervoeren ons naar het centrum van Punta Arenas.
De honger knort in onze magen, terwijl we onze paspoorten laten afstempelen bij de vreemdelingenpolitie. Daarna trekt de groep naar een hotel, en rijden we naar het dichtsbijzijnde restaurant.

Terwijl we ons te goed doen aan een overvloedige maaltijd, rijkelijk overgoten met Chileense wijn, denk ik aan het 'laatste avondmaal' van de Howland-groep, in Hawaï. Ook dit wordt ons laatste avondmaal, met gemengde gevoelens. We hebben een onvoorstelbaar avontuur achter de rug, een avontuur van twee maanden. Tegen de tijd dat we in België zullen aankomen, zullen we bijna vijftigduizend kilometer afgelegd hebben, over vijf continenten, en hebben met negen mensen 70.000 radiocontacten gelegd, in twee maanden tijd...

Pas acht uur later, als we in Santiago, de hoofdstad van Chili, uit het vliegtuig stappen, beseffen we dat we terug in de bewoonde wereld zijn. Achttien uur geleden stonden we nog op Antarctica, te wachten op ons vliegtuig, en nu wachten we hier bij de lopende band op onze bagage. Met onze poolschoenen en dikke truien, bij een temperatuur van 30°. Dit is de bewoonde wereld. Maar is dit nog onze wereld?
Terwijl we elkaar ten afscheid omhelzen, weten we diep in onze harten, dit is onze wereld niet. Wij zijn gedoemd om naar die verre onbereikbare eilanden te trekken, wij zijn verslaafd aan de horizon, aan het onbekende, aan koraalriffen en gletsjers, aan boobies en pinguïns. In de Stille Zuidzee of op Antarctica, om het even, als het maar ver weg is. Alleen, op ons eiland. Alleen, met onze radio's. Daar voelen we ons thuis. Dicht bij de horizon.



-EINDE -

Enkele krantenartikels verschenen na mijn terugkomst:

22. En hoe geraken we er nu af ?


Maandag, 14 februari 1994
In de namiddag heb ik via de zender een interview met 'Reporter zonder Grenzen', een programma van de BRTN radio. Die mensen hebben ons al elke week gevolgd, via interviews op de Falklands, op de Khlebnikov en op het eiland. Tijdens het interview vraagt de reporter of ik, ter ere van Valentijnsdag, een stukje wil meezingen.
"L'important, c'est la rose", klinkt het in mijn koptelefoon.
"L'important, c'est la rose, crois-moi", vervolg ik.
Ik vraag John om een boeketje bloemen aan Tine te bezorgen. "With love from Antarctica" zal hij op het kaartje schrijven...
Op Valentijnsdag, twee jaar geleden was ik mij aan het voorbereiden om naar Clipperton te trekken. Vorig jaar zaten we op Tarawa, en nu.. op Peter I. Allemaal verlaten stukjes van de wereld, duizenden kilometers van elkaar verwijderd.
"L'important, c'est la rose, l'important...", zing ik terwijl ik naar de keukentent stap. Ralph kijkt me verward aan.
"De Russen hebben John gefaxt. Ze komen overmorgen bij het eiland aan", zeg ik.
"Dat betekent dat we mogen beginnen afbreken?", mompelt Ralph.
"Ja, ze willen dat we klaar staan om te vertrekken, eens ze bij het eiland toekomen", antwoord ik.
"OK, roep de anderen bij mekaar, we moeten dit een beetje plannen."

Een uurtje later zijn we al druk in de weer. Alle kratten worden weer eens sneeuwvrij gemaakt, we graven de coaxleidingen van onder de opgehoopte sneeuw. We zijn net bezig de kippendraad, die we onder de verticale antennes hebben gelegd, uit te graven, als ik motorgeluid hoor.
"Ralph?"
"Ja", kreunt Ralph, terwijl hij aan de draad rukt, "dit verrekte ding zit een meter diep onder de sneeuw, en is nog vastgevroren ook."
"Ralph?!"
"Jaaa?", zegt hij terwijl hij opkijkt.
Ik wijs vertwijfeld naar de gletsjerrand. Ik geloof mijn eigen oren niet. Er komt een motorgeluid boven het geraas van onze generatoren uit. Het komt uit de richting van de zee. Plots komt een helikopter boven de gletsjerrand uit, vliegt over ons kamp en verdwijnt achter de berg.
"Hé, wat hebben we nu? Waar komt die vandaan?", roepen we door mekaar.
"Heeft er iemand zijn kentekens gezien? Van welke nationaliteit zou die zijn?"
"Waarschijnlijk de helikopter van de Fedorov"
"Neen, die zitten nog op twee dagen varen van ons, en die helikopters zijn veel groter, nee, het was er zeker niet één van de Fedorov..."
"Maar er is geen enkel schip die ook maar in de verste nabijheid van Peter I komt", herinner ik mij. De urenlange telefoontjes om een vervanging voor de Fedorov te vinden, een paar maanden geleden, zitten nog vers in mijn geheugen.
"Daar komt hij terug", roept Wilber, en hij schiet ter begroeting een vuurpijl af.
De helikopter landt op een paar honderd meter van het kamp, en een paar mannen stappen uit.
"Welkom op Peter I, waar komen jullie vandaan", begroeten we hen in het Engels.
"Van de Polarstern", lacht een grijzende man ons toe, "Dit hier is de kapitein, en hier is onze expeditieleider."De Polarstern is het vlaggenschip van het Duitse Alfred Wegnerinstituut. Het is net als de Fedorov een polair onderzoeksschip.
"De Polarstern lag naast de Khlebnikov toen we die laadden in Bremerhaven", vertel ik de anderen.
"Maar jullie zouden toch niet in de buurt van Peter I komen?"
"Nee, inderdaad, maar we wisten dat jullie op het eiland zaten, en dat je in December problemen had om vervoer te vinden, dus dachten we, 'we brengen jullie een bezoekje om zeker te zijn dat alles in orde is..' ", antwoordt de kapitein.
Wilber komt met een paar blikjes Cola aangedraven. God weet waar hij die nog vandaan heeft weten halen, onze normale voorraad frisdrank is al meer dan een week uitgeput. Terwijl hij die trots aan de Duitsers overhandigt, doet dit beeld me denken aan inboorlingen die op een verlaten eiland na jaren voor het eerst weer Westerlingen zien, en met bloemenkransen en kokosnoten komen aandraven.
De Duitsers krijgen 'een geleid bezoek' aan ons kamp en klimmen dan weer in hun helikopter. De Polarstern blijft morgen nog bij het eiland, en ze beloven ons een ritje in de helikopter, zodat we uit de lucht wat foto's kunnen nemen van ons kamp.
De sfeer zit erin, en in plaats van het kamp verder af te breken, maken we een fles whiskey soldaat in de keukentent.

De volgende dag is het weer omgeslagen. Het is mistig en een storm komt opsteken.
"Geen helikoptervluchten vandaag", mompelen we teleurgesteld.
"Jammer, de kapitein vertelde me dat er twee wetenschappers van de Gentse Universiteit aan boord waren", zucht ik...
Vandaag worden de meeste antennes en masten afgebroken. We spitten, hakken, wroeten, sleuren en trekken. Het wordt een race tegen de tijd om alles bijtijds klaar te hebben.
Verschillende keren laten we ons uitgeput in de sneeuw vallen. Er komt gewoon geen einde aan. Nu pas beseffen we welke hoeveelheid sneeuw er bovenop de kratten ligt. Tonnen sneeuw verplaatsen we. De berg rond de keukentent torent al hoger als het dak...
's Avonds houden we nog een sprint om de laatste contacten te maken. We schatten zo'n 62.000 radioverbindingen gemaakt te hebben. Dat is 10.000 meer als het vorige wereldrecord.
"Ware het niet van het weer...", begin ik.
"En de barslechte radiocondities..", vervolgt Ralph.
"Dan had de vooropgezette 80.000 contacten er zeker ingezeten...", vervolledigt Tony.
De storm giert weer op volle sterkte en de lucht wordt donker. Voor het eerst valt het ons op dat we al een paar uur duisternis per nacht hebben. Een hele verandering vergeleken met de eerste nachten op het eiland. Met de zaklampen in de hand breken we de eerste radiotent af. De lichtbundels schijnen als kegels in de lucht, en springen heen en weer. De sneeuw vliegt door de stralen.
Het is duidelijk geen makkie, en op het moment dat het tentzeil wordt gelost, moeten we er met zijn allen op springen, om te verhinderen dat wind het zeil meesleurt.
We installeren een radiostation in de keukentent en proberen contact te leggen met de Fedorov. Geen antwoord. Op een afgesproken tijdstip maken we onze laatste radioamateurverbinding vanop Peter I, met onze contactmensen in de Verenigde Staten en België. John heeft net de Fedorov gebeld, en hen gevraagd ons morgen op een andere frequentie op te roepen.
"Dit was onze laatste amateurverbinding vanop Peter I, jongens", zegt Ralph in de microfoon, "Morgen breken we de slaaptent af en wachten we op de helikopters. Wens ons veel geluk! Dit was Three Yankee Zero Papa India, 3Y0PI uit en sluiten...". En met een theatraal gebaar draait hij de volumeknop dicht...

Het is al twee uur in de morgen, en we gaan slapen. Ik kruip diep in mijn slaapzak en luister naar de muziek van mijn walkman. Enya zingt in mijn oren. "Dit wordt onze laatste nacht op Peter I", denk ik nog. Maar de goden zullen er anders over oordelen.

Woensdag 16 februari
Vanaf zes uur in de morgen is iedereen al druk in de weer. Met piketten maken we een geïmproviseerde landingsplaats voor de helikopter en stapelen er alle kratten naast. Al onze persoonlijk bagage wordt in één van de kleine radiotenten gelegd. Het toilet wordt gesloopt, en de slaaptent wordt afgebroken. Alle afval uit de tenten wordt gewetensvol verzameld en in zakken gestopt. Tegen de avond is ons kamp tot het minimum gestript: één enkele generator draait nog, alle voedselkratten en kookmateriaal staan in de keukentent gestapeld, een enorme hoop kratten torent naast de landingsplaats en in de tweede tent ligt een grote berg met onze persoonlijke bagage. Vanaf nu zijn we in 'overlevingsmode', wachtend op de Fedorov.
In de avond krijgen we radiocontact met Sergej, de radio-officier van de Fedorov. Hij meldt ons dat ze tot op twee uur varen van het eiland zijn genaderd. Vannacht zullen geen helikopters meer vliegen.
"Morgen komen we jullie halen", belooft hij.
We installeren ons zo goed en zo kwaad het kan in de keukentent. Het zal een lange nacht worden, zonder slaapzakken, met zijn allen in een kleine tent. Tony en Wilber gaan in de radiotent bovenop de valiezen slapen, en met de zeven anderen zoeken we een plaatsje in de keukentent. Het valt niet mee, met zeven mensen in een tent van vier meter bij vier meter, gevuld met twee kookfornuizen, tientallen voedselkratten, tafels en stoelen. Willy en ik gaan op de grond liggen, en houden beurtelings de wacht. Om het uur hebben we via de radio een afspraak met de Fedorov, en elke twee uur moet de generator bijgevuld worden.

Donderdag 17 februari
Het is mistig, en de wind is gaan liggen. We hebben permanent radiocontact met de Fedorov.
"We bevinden ons nu aan het oosten van het eiland, kun je een paar vuurpijlen afschieten, zodat we je kamp kunnen situeren?", vraagt Sergej.
"Ja, ik zie ze", klinkt de stem van Wilber uit de verte.
De wazige contouren van het schip tekenen zich aan de horizon af. Wilber schiet enkele vuurpijlen af, en Sergej bevestigt dat ze ze gezien hebben.
De mist komt in banken over het eiland zweven. We twijfelen of de piloten bij dit weer zullen vliegen.
In de namiddag klaart het westen op, en we vragen de Fedorov naar die kant van het eiland te varen.
"Wot ies de ziechtpaarheid nor het westen", vraagt Sergej met zijn zwaar Russisch accent.
"Ongeveer vijf kilometer", antwoorden we.
"OK, binnen vijf minuten stijgt de helikopter op", antwoordt de Fedorov.
De mist sluit ons weer in, en we horen de helikopter in de verte voor het eiland cirkelen. Na een halfuur, openen de wolken zich, en we zien de Fedorov in de verte liggen. Wilber schiet nog een paar vuurpijlen af, en we horen de helikopter dichterbij komen.
Langzaam, als in een droom nadert ze. We leggen een paar rookbommen naast de landingsplaats, als indicatie waar ze mag landen. De helikopter nadert het eiland, en vliegt laag over de gletsjer. Als een groot insect blijft ze een paar meter boven de landingsstrip zweven. Van tussen de kratten kijken we gespannen toe. Heel langzaam landt het gele gevaarte, en wringt zijn landingsstel in de sneeuw. De Fedorov's helikopter is van het type 'Mil-8' en is veel groter als die van de Khlebnikov. Ze kan tot 3 ton materiaal en een tiental mensen vervoeren. De piloot legt de motor stil en de bemanning stapt uit. Mikael Mikaelov, de kapitein van de Fedorov komt naar ons toe en begroet ons. Hij komt het kamp inspecteren, zegt hij. Ralph leidt hem rond, terwijl de anderen de helikopter helpen laden. De achterkant van de helikopter klapt open, en maakt het laden een makkie. Toch schatten we dat we zo'n achttal vluchten zullen nodig hebben eer al ons materiaal is vervoerd.
De bemanning klimt aan boord van de helikopter. Martin en Willy gaan mee. Als Europeanen spreken ze verschillende talen, en kunnen vanop de Fedorov de evacuatie helpen coördineren.
De piloot start de motoren en wacht tot de mist optrekt. Maar de mist trekt niet op. Na een kwartier stijgt het gevaarte toch op. Op een hoogte van een tiental meter verdwijnt ze met een razend geluid in de mist.

Een uur later klinkt de stem van Willy in de luidspreker van onze zender.
"Dit was een moeilijke vlucht", zegt hij bedaard, "de mist was zo dicht dat we op de radar moesten vliegen. De zichtbaarheid was bijna nihil. We konden het schip pas zien als we tot op tien meter genaderd waren. De piloten willen geen risico's nemen, en zullen de evacuatie morgen pas verder zetten."
We kunnen ze geen ongelijk geven, en maken ons klaar voor een lange nacht.
Gelukkig hebben we, met twee mensen op de Fedorov, al een beetje meer plaats in de keukentent. Ralph gaat bovenop de tafel slapen. Luis, Terry en Bob liggen bovenop de voedselkratten, en ik lig op twee stoelen, met het hoofd op de zender. Ik zal elk uur radiocontact met de Fedorov houden.

Vrijdag 18 februari
De mist wil maar niet optrekken, integendeel. Het wolkendek lijkt dikker dan ooit, en het sneeuwt nog ook. We doden de tijd met het uitdelven van alle kratten, met de regelmatige radiocontacten met de Fedorov, en praten honderduit over de dingen die we in de laatste weken op de radio hebben meegemaakt. De sfeer is ontspannen en gelaten.
Tegen de avond meldt Sergej ons dat er vandaag geen vluchten meer komen. Deze keer halen we onze slaapzakken boven en installeren ons ietsje beter als tijdens de vorige nachten.
Midden in de nacht kom ik wakker. Ik lig in de hoek van de tent op een stapel voedselkratten. Het stormt en de wind blaast de sneeuw in de tent. Ik voel dat mijn slaapzak weer eens onder een laag sneeuw is bedolven.

Zaterdag 19 februari
Mist en sneeuw, mist en sneeuw. Waar is de zon gebleven? We maken ons zorgen. Niet in de zin van 'wanneer geraken we nu van het eiland' - voor mij kan het niet lang genoeg duren -, maar we maken ons zorgen over de boot. De Fedorov kost $20.000 (Bef 700.000) per DAG. En we hebben een vaste prijs van $30.000 betaald. De Fedorov ligt nu al bijna drie dagen nietsdoend voor de kust. Ik stel me voor dat de Russen beginnen zenuwachtig te worden. En elke dag vertraging schuift al hun volgend projecten nog maar eens met een dag op...
Willy roept ons op vanop de Fedorov
"De kapitein heeft met de piloten vergaderd. Hij stelt voor om, als de mist vandaag wat optrekt, één vlucht te doen, en alle mensen te evacueren. Het materiaal kunnen we één van de volgende dagen ophalen."
Ralph en ik kijken mekaar veelbetekend aan...
"Willy, is de kapitein daar?" "Ja hij staat naast me."
"Oké, we gaan hier eens overleggen. Laat intussen maar een helikopter komen, vanaf het moment dat je een klein gaatje in de mist ziet!"
"Verdacht", zegt Ralph terwijl hij de koptelefoon afneemt.
"Ja, de Russen zullen zeker niet wegvaren terwijl er nog mensen op het eiland zitten. Maar eens we allemaal op de boot zijn, kunnen we hen niet stoppen als ze besluiten weg te varen, zelfs niet als er nog materiaal op het eiland staat.", antwoord ik.
"En dat materiaal hebben we nog nodig", jammert Tony, "we hebben er een flink kapitaaltje in zitten, en een gedeelte van de uitrusting is geleend!".
"Daarenboven hebben we de Noorse overheid beloofd niks achter te laten. Doen we dit toch, zal dat misschien de laatste expeditie op Peter I worden...", mompel ik.
"Of dan organiseren ze een speciale 'opkuis-expeditie', om het materiaal op te halen, en moeten wij dat financieren", antwoordt Ralph, met dollartekens in zijn ogen.
"Plus nog een fikse boete erbovenop..", vul ik aan.
"Laten we maar een paar mensen op het eiland houden, als gijzelaars", stel ik voor, "ik ben kandidaat."
"Ik ook, ik ook", klinkt het.
"Luis, jij zou beter mee gaan met de volgende vlucht, je been wordt er niet beter op", zegt Ralph. Luis wrijft verveeld over zijn dij.

In de namiddag klaart het weer wat op.
"Peter eiland, dit is Fedorov", klinkt het in de radio.
"Ja Sergej, dit is Peter eiland".
"De helikopter is onderweg, maak jullie klaar voor de evacuatie. Alle mensen moeten aan boord.", klinkt het.
"Zonder verwittiging, dit is verdacht", zegt Bob die in de opening van de tent staat.
Ik loop naar de radiotent, waar Tony en Wilber nog liggen te slapen.
"Jongens, de helikopter komt eraan!"
Als razenden beginnen we de sneeuw van de afgelopen nacht van de kratten te scheppen. Een paar minuten later is de helikopter geland. We laden de cargoruimte vol. De piloot laat de motor draaien. De bemanning maakt tekens dat we aan boord moeten. We doen alsof we niks zien en gaan terug naar de keukentent, een honderd meter verder. "Ralph, wat doen we", vraagt Bob.
Ralph haalt de schouders op.
"Ik blijf hier, kost wat kost, ik laat het materiaal niet achter", zegt ik.
"Kijk, als je mee wilt, OK, als je wilt blijven, is dat ook goed, maar het moet uit vrije wil zijn.", antwoordt Ralph stilletjes.
Tony, Bob, Wilber en ik besluiten te blijven. Luis, Ralph en Terry stappen in de helikopter.
"Doe een goed woordje voor ons bij de kapitein, good luck!", roepen we hen na.
De helikopter stijgt op en verdwijnt weer in de mist.
"Dit zal weer de laatste vlucht zijn, voor vandaag", zeg ik tegen Bob.
"We hebben tijd", repliceert die.

Zondag 20 februari
Dit is de vierde dag dat we in overlevingsmode leven, klaar om op elk moment geëvacueerd te worden. Tony houdt zich koest, maar Wilber krijgt het op zijn heupen.
"Haal me van dit vervloekte eiland", sist hij.
"Nou, tot nu toe hebben we hier een comfortabel leventje gehad. En nu dat het een beetje ruwer wordt...", plaag ik hem. Maar ik meen het. Ik heb nog op geen enkel moment gevoeld alsof mijn leven in gevaar was.
Rond de middag komt de helikopter er aan. De mist is wat opgetrokken en zweeft in grote slierten over de gletsjer. Ralph en Terry komen ons, tezamen met een paar Russen, meehelpen. Ik ben blij Ralph terug te zien.
De piloot laat de motor draaien, hij wil zo vlug mogelijk weer weg. We sleuren kratten, zakken, pakken, valiezen, alles wat we onder handen kunnen krijgen, naar de helikopter. Binnen het kwartier is hij volgeladen en vliegt hij weg. We legen de kleine radiotent, en beginnen die af te breken. Het weer is kalm, en de mist verdwijnt, het is nu of nooit.
De helikopter landt voor de tweede maal. We stouwen de kleine tent en al ons persoonlijk materiaal in de cargoruimte. We werken als slaven, duwen de kratten op de sleetjes vooruit. Op handen en voeten trekken, duwen en spitten we. De luchtdruk van de draaiende schroeven smijten ons herhaaldelijk tegen de grond. De motoren huilen. Weer vliegt hij weg.

We voelen dat dit het moment is: nu of nooit, het kamp moet vandaag volledig geëvacueerd worden. We spitten de vaten met reserve benzine uit. Elk vat weegt 200 kg, en we moeten die tweehonderd meter verder, naar de landingsbaan schuiven. De wind komt weer opzetten. We zweten ons rot. Dit is slavenwerk, maar we bijten door.
"We moeten doorgaan", roepen we elkaar toe.
Ik spring op een krat en zing uit volle borst: "L'important, c'est la rose, l'important...!". De anderen verklaren me zot.
Als de helikopter voor de zesde keer landt, is bijna alle materiaal van het eiland.
"Ralph, dit moet de laatste lading zijn, wat denk je, breken we onze laatste tent af?".
"Als we die tent afbreken, hebben we geen schuilplaats meer". Ralph krabt in zijn haar. Hij ziet er verwilderd uit. "Als de helikopter wegvliegt en mensen achterlaat, is dat onze dood.", mompelen we.
De piloot heeft onze aarzeling gezien, en legt de motoren af.
"30 minuten", zegt hij ons in gebroken Engels.
Met man en macht legen we de keukentent. Onze laatste generator, de laatste propaanfles, de laatste jerrycan met benzine, de laatste... Alles gaat in de helikopter. Met ijshouwelen en schoppen hakken we het ijs van rond de keukentent en in een kwartier zit het tentzeil en het aluminium frame in de grote zakken. Terwijl we aan het werken zijn, heeft de wind de houten bodem van de tent al volledig met sneeuw bedekt. We slaan de bodemplaten van het frame, rollen het isolatiemateriaal op en sleuren alles naar de helikopter.
"Hoeveel keer hebben we die weg nu al afgelopen vandaag?", denk ik bij mezelf, terwijl ik in de put val, waar kort tevoren nog de benzinevaten stonden.

En plots, ... plots, is er geen materiaal meer over. Vertwijfeld wandelen we door de bergen sneeuw die we hebben gedolven. Niks ligt er nog.
"Ralph, we zijn klaar", roept Bob, terwijl de piloot de motoren start.
Ik tik de man die achter de helikopter staat, en blijkbaar de cargomeester is, op de schouder, en wijs naar de hoop plastieken zakken, die ons 'menselijk afval' bevatten. Ze zijn hier en daar gescheurd, en een vaalbruin vochtje loopt eruit. De man schudt zijn hoofd. Hij wil de zakken niet. Hij neemt een schop uit de laadruimte, en doet teken dat we het moeten indelven. Wilber neemt de schop aan, en begint als een bezetene te graven.
"Nee, Wilber, we nemen alles mee!"
"Als ze zeggen dat ze het niet mee willen, wie zijn wij dan om daar tegen te protesteren?", bijt hij me toe.
"No way, we laten dit niet achter, alles moet mee."
Bob en ik nemen een paar grote zakken uit de laadruimte, en steken er de vuilniszakken in. Stront en urine lopen langs onze kleren. Ik neem de zakken en zwier die in de helikopter. De cargomeester kijkt mij onthutst aan.
"Shit no go, we no go", snauw ik hem toe. Die zin zal nog levenslang meegaan als de slogan van onze expeditie: “Shit no go, we no go..!”

We zijn klaar. Ik steek een laatste sigaret op en wrijf het excrement van mijn kleren. Gelukkig stinkt het niet te erg... We kijken naar mekaar.
"Dat is dat, mannen, het uur van gaan is gekomen."
De piloot doet ons teken dat we moeten instappen. Ik neem wat sneeuw in mijn handen. "Bedankt, Peter I, voor wat je ons gegeven hebt. We zullen dit nooit vergeten", mompel ik als in een gebed, "Bedankt voor alles, misschien zullen we nooit meer deze sneeuw aanraken, misschien zien we mekaar nooit meer terug.."
We stappen in, de deur wordt gesloten en de helikopter vertrekt.

Met een krop in de keel kijken we door de vensters. Beneden ons zien we de afdrukken van onze laatste tent, de putten van de benzinevaten, een harrewar van voetafdrukken, .. De wind heeft de meeste sporen al gewist. De natuur verliest geen tijd om het eiland weer voor zich op te eisen. Morgenochtend zul je al niet meer zien dat er ooit mensen op het eiland zijn geweest. En toch was dit stukje Antarctica onze thuis voor drie weken. Drie weken hebben we op 's werelds meest afgelegen plaats doorgebracht. Langer dan om het even welke vorige expeditie. En zonder schip dat voor de kust lag. Achttien ton materiaal hebben we opgesteld, tientallen keren uitgegraven en versleurd, opnieuw ingekrat en naar de Fedorov gevlogen. Niks is achter gebleven, niks. Herinneringen is het enige wat ons rest. En misschien een paar vergeten radiogolven die nu door de ruimte vliegen, en, wie weet, duizenden lichtjaren verder, door een andere beschaving zullen opgevangen worden. 'Three Yankee Zero Papa India, QRZ, five up". Ze zullen het niet verstaan. Ze zullen niet weten dat dit één van de radio-uitzendingen was van een expeditie op Antarctica, die een nieuw wereldrecord vestigde. 62.000 verbindingen... Wie had dit durven hopen...

Langzaam daalt de helikopter. We zien de Fedorov naderbij komen, en heel voorzichtjes zet de piloot de machine op het helidek. De deur gaat open, en daar is de beschaving... Willy, Martin en Luis komen ons begroeten. We omhelzen mekaar.
"We hebben het gedaan! We hebben het voor mekaar!", juichen we, de handen hoog in de lucht.
Willy troont ons mee naar de kajuiten. Ik laat mijn cameratas op de grond zakken, en trek met een zucht mijn mutsen en skibril van mijn hoofd. Pas nu voel ik hoe uitgeput ik ben. Ik kan niet meer. Bob komt de kajuit binnen en zet zich puffend naast mij.
"Dat was het dan", fluistert hij met een trillende stem.
Aarzelend trek ik mijn poolkledij uit. Het is net een afscheidsceremonie. Deze kleren droeg ik drie weken lang op Peter I... Gewapend met shampoo stap ik in de douche. Eindelijk... Alle geurtjes, alle vermoeidheid, alle miserie, alles spoelt van me weg. Het licht schommelen van de boot verraadt dat we aan het varen zijn.

Op de brug vind ik mijn kameraden. Ze kijken weemoedig naar ons eiland aan de horizon.
"Dit eiland zien we nooit meer terug, jongens", mijmert Luis."Je weet nooit, je weet nooit", zeg ik met een hese stem.

Bron: Foto (man bij krat met spade): Willy Ruesch (HB9AHL)

Ga verder naar Hoofdstuk 23: Van Peter I naar Belgie in 9 dagen